Dit weet je na het lezen:
- Duurzaam opgewekte stroom uit zon en wind mag van de EU tijdens uren met negatieve prijzen worden opgeslagen in batterijen om later in de tijd met subsidie wel op het net gebracht te kunnen worden
- Zonneparken worden hiermee rendabeler, want ze hoeven niet te worden afgeschakeld
- Op deze manier wordt duurzame stroom niet weggegooid en het stroomnet wordt niet overbelast
- Ook windparken krijgen meer te maken met negatieve prijzen, al is daar de oplossing in opslag door met waterstof te werken
Derek Steeman, branchespecialist bij brancheverenigingen NedZero en Holland Solar, legt uit waarom deze ‘uitgestelde invoeding’ zo belangrijk is voor de duurzame energiesector. “Het probleem van negatieve elektriciteitsprijzen speelt al lang bij zon en wind. Zeker bij zonneparken zien we dat het aantal uren met negatieve prijzen de afgelopen jaren explosief is toegenomen. En met de verwachte komst van meer windparken zien we ook daar dat negatieve prijzen steeds vaker voorkomen. Dit instrument erkent eindelijk dat probleem én doet er iets aan.”
Productiesubisidie
Uren met negatieve stroomprijzen worden, op aanwijzing van de Europese Commissie, sinds 2016 uitgesloten van SDE++-subsidie. Tot 2023 gebeurde dat in blokken van zes uur, daarna per uur, en sinds oktober zelfs per kwartier. Projecten worden steeds vaker stilgezet. “Bij zon zien we inmiddels productieverliezen van rond de 20% op jaarbasis.” PBL rekent in de SDE++ met een bepaald aantal vollasturen, bijvoorbeeld zo’n 860 voor een zonnepark op land. “Die worden bij lange na niet meer gehaald”, aldus Steeman. “En dat betekent: minder subsidie, lagere inkomsten en meer onzekerheid voor financiers.”
Het wrange is dat het aanbod er wél is. “De zon schijnt, de panelen liggen er, maar we zetten ze uit. Dat voelt steeds meer als systeemfalen.” Kern van het probleem is dan ook dat de vraag naar elektriciteit achterblijft en de flexibilisering van het energiesysteem ook te langzaam gaat.
Batterij als sleutel
Uitgestelde invoeding doorbreekt dat patroon. In plaats van afschakelen kunnen producenten bij negatieve prijzen blijven produceren, zolang de stroom niet direct het net op gaat. Die elektriciteit wordt opgeslagen in een batterij en later, wanneer de prijs weer positief is, alsnog ingevoed. Die uitgestelde levering wordt dan óók gesubsidieerd.
“Je krikt daarmee het aantal vollasturen weer op”, legt Steeman uit. “Bij één-uursblokken kan dat tot 15% extra opleveren, bij zes-uursblokken zo’n 10%. Dat maakt echt een duidelijk verschil.” (Zie rekenvoorbeeld onder aan het artikel). Belangrijk is dat er geen sprake is van overstimulering. “Er blijft een cap op het maximale aantal vollasturen. Het gaat puur om het terughalen van wat nu verloren gaat.”
Volgens Steeman is het grote voordeel dat dit niet alleen een financiële reparatie is, maar ook een systeemoplossing. “Je stimuleert flexibiliteit. Batterijen maken elektriciteit waardevoller, omdat je de productie meer kan verspreiden over de dag en kan verplaatsen naar de momenten waarop er veel vraag is Dat is precies wat we nodig hebben in een systeem met veel zon en wind.”
Systeemoplossing
Het ministerie van Klimaat en Groene Groei keek eerder ook naar andere oplossingen, zoals compensatie via het correctiebedrag. Maar die route is bewust niet gekozen. “Dan zou je wel meer subsidie geven, maar het biedt verder geen systeemvoordelen”, zegt Steeman. Uitgestelde invoeding doet dat anders. “Hier wordt productie juist beloond, mits je het systeem helpt. Dat past veel beter bij de gedachte van marktintegratie.”
Dat de Europese Commissie akkoord is gegaan, stemt Steeman tevreden. “We moeten voldoen aan de staatsteunregels van Europa. Maar Brussel ziet ook dat dit geen kunstmatige marktverstoring is, maar een manier om verspilling te voorkomen.” Wel gelden er voorwaarden. Zo mogen batterijen die voor uitgestelde invoeding worden ingezet geen afnamecapaciteit uit het net hebben voor handelsdoeleinden.
“In tijden van negatieve prijzen is er een tekort aan vraag, dus je wilt dat de batterijen uit het net opladen. Dat is echter nu vaak niet mogelijk door netcongestie. Dus in de tussentijd kan de batterij de stroom uit het wind- of zonnepark opslaan en later leveren.” Hoewel de sector overwegend positief is, plaatst Steeman ook kanttekeningen. “We hebben het in een enquête aan de leden van NedZero en Holland Solar voorgelegd. Veel partijen gaven dat ze hiermee wel aan de slag kunnen, of zelfs al deden.” Want met het realiseren en financieren van een wind- en zonnepark is een batterij een logische investering, zo vinden ook projectontwikkelaars.
Steeman: “We zien dit ook niet als verkapte vorm van het subsidiëren van batterijen; de SDE++ subsidie is gekoppeld aan wind- en zonprojecten en het is echt bedoeld om de productie van die parken te verhogen, met de batterij als middel. Het subsidiëren via uitgesteld invoeding helpt, maar het is niet het ei van Columbus. De CAPEX-kosten zijn aan het dalen, maar het is alsnog een flinke investering.”
Wind volgt zon
Voor zonne-energie is de pijn het grootst, maar ook windprojecten krijgen steeds vaker te maken met negatieve prijzen. “Nu nog vooral in het voorjaar overdag, maar je ziet het ook in de winter toenemen”, zegt Steeman. “Er zijn afgelopen najaar al best wat nachten geweest met negatieve prijzen door aanhoudende wind.”
Dat heeft directe gevolgen voor investeringen. “Financiers zien wat er bij zon gebeurt en rekenen dat risico inmiddels ook door bij wind. Dat vertaalt zich in hogere risico-opslagen.” Voor wind op zee biedt uitgestelde invoeding voorlopig geen oplossing. “Batterijen op zee zijn er simpelweg nog niet. Daar wordt eerder gekeken naar elektrolyse en waterstof, maar dat is een ander verhaal.”

Rekenvoorbeeld
Laten we de proef op de som nemen, letterlijk in dit geval. We nemen als voorbeeld een zonnepark met een vermogen van 1 MW. Hoe groot moet dan de batterij zijn? Het lijkt dan raadzaam om te kijken hoe lang achtereen de elektriciteitsprijs negatief is. Uit de tabel ‘Negatieve elektricteitsprijzen 2025’ van RVO blijkt dat zesuursblokken heel regelmatig voorkomen. Langere periodes van negatieve prijzen zijn er ook, maar minder frequent. Voor de dimensionering is een batterij van 1 MW/6 MWh dan een logische maat: groot genoeg om een typisch blok van 6 uur negatieve prijzen volledig te accommoderen. Komt er een langere negatieve periode voor (bijvoorbeeld 8 of 10 uur), dan kan de exploitant ervoor kiezen om de batterij vol te zetten en daarna te curtailen. Het 6-uurspatroon is dus vooral bepalend voor de gewenste opslagcapaciteit, niet voor de exacte subsidieberekening.
Voor 2026 gaan we uit van circa 700 uur negatieve prijsuren, gebaseerd op de al jarenlange stijging van het aantal negatieve prijsuren. In de eerste elf maanden van dit jaar kwam het aantal negatieve uren uit op 568 uur (geëxtrapoleerd naar een heel jaar komt 2025 uit op 620 uur). (Kanttekening: negatieve uren worden niet altijd veroorzaakt door veel zon, maar soms ook door veel wind, zonder zon.)
Het park produceert in deze uren maximaal 1 MWh per uur. De SDE++-subsidie is effectief 10 ct/kWh, dus in dit voorbeeld €100/MWh. Zonder een batterij levert de productie in die 700 uren géén subsidie op, omdat de prijs negatief is. Mét batterij wordt de productie in die uren opgeslagen en op een later moment met positieve prijzen ingevoed, zodat RVO de volumes wél als subsidiabel kan aanmerken. En dat levert een dergelijk zonnepark uiteindelijk op deze manier €70.000 per jaar op (700 MWh × €100/MWh). Dit bedrag is dan een soort basislast; er komen nog inkomsten bij door ‘gewone’ handel op de (onbalans)markten.










