Sinds 1 januari 2024 moeten grote ondernemingen met meer dan duizend werknemers verplicht rapporteren over hun duurzaamheidsbeleid, risico’s en prestaties in het kader van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). Een belangrijk onderdeel daarvan is het inzichtelijk maken van de zogenaamde ‘scope 3-emissies’. Dit behelst de indirecte CO2-uitstoot in de hele keten, van toeleveranciers tot sloopafval.
De regelgeving liet veel ruimte voor interpretatie, vooral bij de vraag welke emissies precies tot scope 3 behoren. Om bedrijven hierbij te helpen, publiceerde de Dutch Green Building Council (DGBC) recent de geactualiseerde versie van de handreiking ‘Scope 3-emissies in de bouwsector’. De nieuwe editie bevat extra uitleg over onder meer productieafval en renovatieprojecten.
Renovatie
Volgens Laetitia Nossek, programmamanager bij DGBC, is de interpretatie van duurzaamheidsrapportages bij renovatie complexer dan bij nieuwbouw. “Voor nieuwbouw kun je de uitstoot vrij makkelijk berekenen, maar wat betekent het voor renovatie? Vanaf wanneer ben je als bouwer verantwoordelijk voor de operationele energie van renovatieprojecten? Moet je de uitstoot van elk gebouw tot het einde van de levensduur rapporteren? We hebben nu samen met de bouwbedrijven besloten om deze operationele energie-uitstoot alleen mee te nemen als het gaat om een grootschalige renovatie.”
Daarnaast is er een wijziging doorgevoerd in de categorie voor productieafval. Voor een volledige ‘scope 3-emissieberekening’ moeten alle fasen in het afvalproces worden meegenomen: inzameling, overslag, sortering en verbranding. Deze processen worden echter niet altijd door de afvalinzamelaar uitgevoerd en vereisen daarom extra dataverzameling bij derden.
Onvolwassen markt
De eerste versie van de handreiking verscheen in mei 2024, toen veel organisaties nog zoekende waren naar hoe ze de CSRD in de praktijk moesten toepassen. “Toen zijn we met de grote bouwbedrijven om tafel gegaan om te kijken hoe zij daarmee omgaan. Ook hebben we gekeken hoe we kunnen komen tot een interpretatie van Scope 3 binnen de CRSD-regelgeving voor de Nederlandse bouwsector.” Nossek ziet dat er in de markt inmiddels meer aandacht is gekomen voor de CSRD-rapportage. “Je merkt dat grote bedrijven het belangrijk vinden, maar het is wel een markt die nog volwassen moet worden.”
De ‘Scope 3-rapportage’ staat of valt met de beschikbare data, zegt ze. “Als dat alleen inkoopfacturen zijn, heb je nog te weinig invloed op de uitstoot. Bouwbedrijven moeten daarom heel specifiek gaan uitvragen, rekening houdend met emissies.” De Europese Unie helpt daarbij. Zo heeft het Europees Parlement recent de herziene Verordening bouwproducten (CPR) geïmplementeerd. Hierdoor moeten fabrikanten op uniforme wijze de milieu-impact van bouwproducten in Europa inzichtelijk maken.
Op de goede weg
De CPR wordt verplicht voor alle fabrikanten van bouwmaterialen in de EU. Als zij dan een product op de markt brengen, moet die beschikken over een specifieke Environmental Product Declaration (EPD). Nossek: “Dat is waar je naartoe wil, dat deze data op productniveau beschikbaar is. In Nederland zijn we al goed op weg. We hebben de Milieuprestatie Gebouwen (MPG) en er is al data op productniveau beschikbaar in de Nationale Milieudatabase. Maar het is nog een hele operatie om dit goed inzichtelijk te maken.”
Bouwbedrijven
De herziening kwam wederom tot stand in samenwerking met tien toonaangevende bouwbedrijven, waaronder BAM, Heijmans, VolkerWessels en Dura Vermeer. Daarnaast leverden adviesorganisaties en de Stichting Klimaatvriendelijk Aanbesteden & Ondernemen (SKAO) input. Dat brede draagvlak is belangrijk, zegt Nossek. “De handreiking moet niet alleen juridisch kloppen, maar ook praktisch uitvoerbaar zijn. Bedrijven willen weten hoe ze aan de slag kunnen met dataverzameling in de keten, van leveranciers tot afvalverwerkers.”












