Een onderneming had tot december 2011 een or. Sindsdien is op een andere manier in de medezeggenschap voorzien. In 2013 eist FNV van de ondernemer dat hij een or instelt, verkiezingen daartoe organiseert en aan FNV een voorlopig reglement toestuurt. De ondernemer weigert dit. FNV vraagt de bedrijfscommissie te bemiddelen, dit slaagt niet. De bedrijfscommissie suggereert nog wel dat met een minimale belangstelling van werknemers al verkiezingen kunnen worden georganiseerd. De ondernemer volgt dit advies niet omdat er te weinig animo voor een or zou zijn onder de werknemers. FNV ziet zichzelf als belanghebbende in de zin van artikel 36 WOR bij de instelling van een or en stapt naar de kantonrechter.
Oordeel kantonrechter
Artikel 36 WOR geeft iedere belanghebbende de gelegenheid zich tot de kantonrechter te wenden als de or of de ondernemer zich niet aan de voorschriften van de WOR houdt. De vraag is of FNV als zodanig aangemerkt kan worden. De kantonrechter stelt van niet omdat FNV onvoldoende onderbouwd heeft dat zij optreedt namens de leden bij de onderneming. FNV heeft niet kunnen aantonen dat haar leden (zo’n 20% van de werknemers), waren geraadpleegd over de acties van FNV. Daarbij komt dat drie FNV-leden expliciet hebben verklaard bezwaar te hebben tegen de instelling van een or.
De kantonrechter concludeert dat FNV niet ontvankelijk is in de procedure. De kantonrechter merkte ten overvloede nog op dat de ondernemer erop toeziet dat op een andere wijze invulling wordt gegeven aan medezeggenschap. Ook is de ondernemer voornemens in 2015 weer het animo voor een or te peilen.
Commentaar
Artikel 36 WOR schrijft voor dat iedere belanghebbende de kantonrechter kan verzoeken de ondernemer of ondernemingsraad te verplichten de WOR te volgen. Bij de instelling van een or wordt een vakbond in veel gevallen aangemerkt als belanghebbende, mits de vakbond daadwerkelijk optreedt namens zijn leden, werkzaam binnen het bedrijf in kwestie. In deze zaak bleek dat niet het geval te zijn, althans, dat heeft FNV volgens de kantonrechter niet kunnen aantonen.
Deze uitspraak sluit goed aan bij het gedachtegoed van artikel 2 lid 1 WOR op basis waarvan een ondernemer bij meer dan 50 werknemers verplicht is een or in te stellen ’ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen’. Als die in de onderneming werkzame personen zich echter niet verkiesbaar willen stellen voor een or, dan is het voor de ondernemer praktisch gezien niet mogelijk een or in te stellen. In een dergelijke situatie kan zelfs een vakbond als FNV de instelling van een or niet afdwingen bij de rechter op grond van artikel 36 WOR. Immers FNV wordt niet gesteund door zijn leden die werkzaam zijn bij de onderneming en kan daardoor niet aangemerkt worden als belanghebbende in de zin van artikel 36 WOR bij de instelling van een or.
Bron:Kantonrechter Rotterdam, 14 november 2014
Auteur Ireen Koevoets was tot 1 juni 2015 advocaat bij Boontje Advocaten te Amsterdam












