SDE++ 2025 stimuleert slimme inzet e-boilers 

SDE++ 2025 stimuleert slimme inzet e-boilers 
Foto: Ibrahim Boran/Unsplash.

Flexibel inzetbare e-boilers kunnen een belangrijke rol spelen bij de verduurzaming van industriële processen met hoge temperaturen. Wel leggen de installaties extra druk op netcongestie. Ook is hun rendement afhankelijk van de sterk stijgende nettarieven. Hoe zijn die twee onzekerheden vertaald in de nieuwe SDE++-regeling voor 2025?

Vanaf 7 oktober kunnen bedrijven en non-profitorganisaties zich weer aanmelden voor de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++); de komende termijn goed voor € 8 miljard. Voor deze nieuwe ronde heeft het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) advies gevraagd aan het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) over de ervaringen met de SDE++ in 2024. 
 
Die inzichten en berekeningen staan beschreven in het rapport Eindadvies basisbedragen SDE++ 2025, waar PBL samen met TNO en Det Norske Veritas (DNV) aan werkte. Voor dit eindadvies zijn 85 verschillende marktpartijen geconsulteerd; partijen die eerder SDE-subsidie hebben ontvangen of overwegen een aanvraag in te dienen. Hun ervaringen zijn meegenomen in het eindadvies aan het ministerie van KGG. De adviesbedragen uit dit rapport worden standaard overgenomen door het ministerie.

Wisselende aanvragen

Welke rol speelt de elektrische boiler in dit geheel? De afgelopen subsidieronde (2024) zijn bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) vijftien aanvragen voor e-boilers binnengekomen en gehonoreerd. Deze projecten, onder andere uit de energie-, voedings- en papierindustrie, zijn samen goed voor een budget van € 1,5 miljard.  
 
Dat was voor het thema e-boilers ook in de lijn der verwachtingen, volgens Emma Eggink. Zij is onderzoeker duurzame energie bij het PBL, projectleider van SDE++ en redacteur van het adviesrapport. “De subsidieaanvragen voor e-boilers zijn wisselend, onder andere afhankelijk van onverwachte veranderingen in de nettarieven. Het afgelopen jaar zagen we de interesse afnemen toen de nettarieven bleven stijgen. Marktontwikkelingen gaan soms sneller dan we in het advies kunnen verwerken.” 
 
Het totale budget voor projecten die een beschikking kregen in het domein elektriciteit is het afgelopen jaar gehalveerd ten opzichte van de SDE++ van 2023. Dit kwam mede door de toename van netcongestie (bron: Brief minister Hermans update SDE++ resultaten 2024 en openstelling 2025). 

Stijgende netwerkkosten

Om het nieuwe subsidiebedrag voor elektrificatie in 2025 te bepalen, zijn precies die twee ontwikkelingen vrij bepalend geweest: de stijgende netwerkkosten en netcongestie. De stijgende netwerkkosten vormen voor alle elektrificatieprojecten een risicofactor. Bij e-boilers zijn ze op jaarbasis bijna even hoog als het investeringsbedrag. Hoewel netwerkkosten minder hard stijgen dan het uitgangspunt bij de SDE ++ 2024, blijven ze ook op de middellange termijn naar verwachting substantieel stijgen.  
 
Deze kostenpost is meegenomen in de berekeningen. Netwerkkosten vormen maar liefst 33% van het bepaalde basisbedrag in de SDE++2025. Hierbij is ook rekening gehouden met het verschil tussen transporttarieven op het hoogspanningsnet en het regionale net. Hoewel de compensatie van hoge tarieven een goede zaak lijkt, wordt in de marktconsultatie wel gewaarschuwd voor het onnodig rondpompen van geldstromen zolang de nettarieven blijven stijgen.

Impact op netcongestie

De tweede onzekerheid die is verwerkt in de subsidie is netcongestie. De geconsulteerde marktpartijen zijn over het algemeen vrij kritisch op dit punt. E-boilers zorgen voor extra druk op het overbelaste net, omdat in bijna alle gevallen de fysieke netaansluiting moet worden uitgebreid. Het gecontracteerde transportvermogen wordt in principe altijd vergroot met het vermogen van de e-boiler. Dit leidt tot vertraging van e-boiler-projecten en is een van de belangrijkste obstakels voor nieuwe initiatieven.  
 
In de SDE++2025 zijn de meerkosten voor aanpassing van de netwerkaansluiting verwerkt in het basisbedrag. Maar er zijn critici die zich afvragen of je de e-boiler in deze context überhaupt moet subsidiëren. Is het niet beter om te kiezen voor andere installaties die minder impact hebben op netcongestie, zoals de stoomwarmtepomp? Daar staat tegenover dat de e-boiler juist kansen biedt bij netcongestie. De druk op de netcapaciteit vraagt om flexibele oplossingen buiten piekuren, iets waar e-boilers zich goed voor lenen. Dat laatste heeft dan ook prioriteit gekregen in de keuzes voor de SDE++ 2025, om ervoor te zorgen dat subsidie voor e-boilers ook op de gewenste manier wordt ingezet.  

Alternatieve transportrechten

“Het doel bij onze berekeningen is dat je e-boilers daar inzet waar een overschot aan elektriciteit is en waar flexibele contracten mogelijk zijn”, vertelt Eggink. De invloed van een installatie op de netbelasting is namelijk niet alleen afhankelijk van het elektrisch vermogen, maar ook van de indeling van het elektriciteitsgebruik.  
 
In de SDE++ 2025 is daarom vooral ingespeeld op projecten die gebruik kunnen maken van alternatieve transportrechten (ATR) of een non-firm-ATO (aansluit- en transportovereenkomst waarbij transport niet gegarandeerd is). De noodzaak voor flexibel netgebruik is het uitgangspunt geweest voor de referentie-installatie in de subsidieberekeningen. 
 
“We willen ook de meest kostenefficiënte projecten stimuleren; een extra reden om van een ATO uit te gaan. Partijen met zo’n overeenkomst kunnen korting krijgen bij de netbeheerder, waardoor ze lagere kosten hebben.” Dat betekent wel dat sommige partijen makkelijker aanspraak kunnen maken op de subsidie dan anderen. Alternatieve transportovereenkomsten zijn namelijk (nog) niet overal beschikbaar. In sommige regio´s in Nederland is het lastig om zo’n aansluiting te krijgen. Het PBL onderzoekt nog hoe het advies rekening kan houden met deze regionale verschillen.

Operationele kosten

Een opvallende wijziging in de SDE++ 2025 is dat er ook subsidie komt voor operationele kosten. Hoe zit dat precies? Op verzoek van het ministerie van KGG is er dit jaar een categorie bijgekomen voor subsidie voor een e-boiler met een korte subsidieduur van vijf jaar, waarbij enkel de operationele kosten en onderhoudskosten worden vergoed. Hoewel alle berekeningen in het eindadvies zijn gebaseerd op nieuwe projecten, is deze categorie vooral interessant voor e-boilers die eerder al een beschikking kregen. 
  
Deze keuze heeft te maken met de sterk gestegen transporttarieven op regionale netten, die in vroegere subsidierondes niet was voorzien. Installaties met een bestaande beschikking kregen daardoor in sommige gevallen te maken met operationele kosten die hoger zijn dan de netto subsidiebedragen. Hierdoor worden de installaties minder of helemaal niet gebruikt. Partijen voor wie dit geldt kunnen hun oude beschikking inleveren en zich opnieuw inschrijven voor de categorie operationele kosten.

Combinatie met warmteopslag

Een relatief nieuwe speler in het domein elektrificatie is de e-boiler in combinatie met opslag van warmte (hoge temperatuuropslag/HT TES). Deze kan vrijgekomen warmte opslaan in bijvoorbeeld zand, steen, zout of staalslakken. In 2024 kwam hiervoor voor het eerst subsidie beschikbaar voor industrieel gebruik. Het idee is dat de opslag het aantal uren warmtelevering met de e-boiler vergroot. “Het is eigenlijk een e-boiler met uitgestelde levering”, vertelt Eggink. “In 2024 hoorden we voor het eerst dat partijen hier enthousiast over zijn en er interesse in hadden.” Aansluitkosten en transportkosten zijn ook voor HT-TES meegenomen in het basisbedrag subsidie. 

Het gaat om systemen met een thermisch vermogen van 50 MW of meer. Uit de marktconsultatie bleek behoefte aan prijsdifferentiatie voor installaties met vermogens onder de 10 MW, vanwege de grote elektrificatiepotentie. Ook voor installaties boven de grens van 50 MW was er vraag naar een aparte prijscategorie. PBL geeft aan dat er nog onvoldoende kosteninformatie beschikbaar is om hierin te kunnen differentiëren.

Nuttig aangewende warmte

Voor het maken van een gunstige businesscase zetten sceptici vragen bij een mogelijk belangrijk nadeel van dit systeem: het moment van laden. Theoretisch gezien kun je laden bij negatieve prijzen en de warmte daarna afgeven aan de lucht. Dat is allesbehalve duurzaam, maar wel financieel aantrekkelijk. Volgens Eggink zou daar geen sprake van mogen zijn. “In de subsidieregeling staat beschreven dat het om ‘nuttig aangewende warmte’ moet gaan en de RVO kan dit controleren. We onderzoeken nu eerst de verhouding tussen opslag en (ont)laden bij HT-TES, vanwege de manier waarop de geproduceerde warmte wordt gemeten. Een nieuwe categorie vraagt altijd om verbeteringen.”  

Heidy van Beurden

Heidy van Beurden

Heidy van Beurden is freelance journalist en redacteur. Ze schrijft voor o.a. de energie- en watersector, het onderwijs en de medische wereld. Naar de energietransitie kijkt ze in samenhang met de actuele ontwikkelingen in andere sectoren, waarin slim datagebruik een rode draad is. Haar publicatie Smart City dynamics werd wereldwijd in 27 landen verkocht.

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.