De or weigert de instemming KLM ontwerpt vervolgens een conceptgedragscode waarin extra waarborgen voor het personeel zijn opgenomen. De or stemt evenmin in met de conceptgedragscode. De onderneming verzoekt vervolgens de bedrijfscommissie om te bemiddelen. Deze adviseert partijen opnieuw met elkaar in overleg te treden. Dit leidt niet tot een oplossing, evenmin als een mediationtraject. KLM verzoekt daarop de kantonrechter op grond van art. 27 lid 4 WOR vervangende toestemming voor de invoering van het systeem.
KLM stelt dat als gevolg van het ontbreken van een adequaat registratiesysteem:
- de betrouwbaarheid van de afgesproken afleveringsdatum onvoldoende is,
- er onvoldoende mogelijkheden zijn om bij te sturen indien nodig en
- het onvoldoende mogelijk is om additionele werkzaamheden bij de klant in rekening te brengen.
Invoering van het voorgenomen besluit brengt mee dat bepaalde medewerkers tijdens een project kunnen zien wie met welke taak bezig is. Hiermee kunnen storingen sneller worden opgespoord.
De or voert onder meer aan dat de met tijdregistratie te genereren data niet bijdragen aan de concrete doelen die KLM aanvoert als beweegreden voor het voorgenomen besluit. Activiteitenregistratie is een reëel alternatief. Het is bovendien niet nodig dat al degenen die in het voorgenomen besluit zijn genoemd, toegang hebben tot de tot individuele medewerkers herleidbare gegevens. De tijdsverantwoording in de door KLM voorgenomen vorm verhoudt zich niet tot de Wet bescherming persoonsgegevens.
Oordeel Kantonrechter
De kantonrechter overweegt dat de grote concurrenten van KLM gebruik maken van dit (of een vergelijkbaar) tijdsregistratiesysteem. KLM heeft er – mede in verband met haar concurrentiepositie – belang bij dat haar registratiesysteem voldoet aan de eisen van de tijd.
Met KLM is de kantonrechter van oordeel dat anonimiseren geen redelijk alternatief is, omdat controle op naleving noodzakelijk is. De door KLM gegeven garanties bieden naar het oordeel van de kantonrechter voldoende bescherming tegen mogelijk ‘misbruik’ door KLM. Bovendien zijn in de conceptgedragscode tevens handhavingswaarborgen opgenomen, die zonodig in rechte afgedwongen kunnen worden. Daar waar KLM handelt in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens, staat het de individuele medewerker vrij om naleving te vragen.
Uit het voorgaande volgt dat de argumenten van KLM voor het invoeren van het voorgenomen besluit zwaarder wegen dan de argumenten van de or daartegen. Onder de geschetste omstandigheden heeft de or met het weigeren van zijn toestemming onredelijk gehandeld. De kantonrechter verleent KLM toestemming voor de invoering van het voorgenomen besluit.
Commentaar
In deze zaak moest de rechter afwegen of de maatregel een te grote inbreuk op de privacy van werknemers opleverde tegenover het belang van de werkgever. De rechter doet dit op een wijze die wel vaker wordt toegepast, maar die mijns inziens niet past in het systeem van artikel 27 WOR. Zij past eerst een belangenafweging toe en vindt dat de argumenten van de ondernemer zwaarder wegen dan die van de ondernemingsraad. Vervolgens wordt op die grond de weigering van de ondernemingsraad onredelijk geacht. Dat is echter niet het systeem van de wet. Dat houdt namelijk in, dat eerst wordt gekeken of de weigering van de or onredelijk is. Als dat niet zo is, moet de ondernemer zwaarwegende gronden aanvoeren. Bij het systeem van de kantonrechter zou de laatste stap niet meer aan de orde kunnen komen, omdat de argumenten van de ondernemer al in de eerste stap worden meegewogen en dan ook minder dan zwaarwegend mogen zijn. Dat neemt niet weg dat ook bij toepassing van het juiste redeneerschema de ondernemer de zaak had kunnen winnen. Dat hangt uiteinderlijk af van de beoordeling van de vraag hoe zwaar zijn argumenten wegen.
Ktr. Amsterdam 16 juni 2008, JAR 2008/192
Guus Heerma van Voss
Meer interessante en relevante jurisprudentie vindt u in Rechtspraak voor Medezeggenschap.












