Kantonrechtersformule van toepassing bij kennelijk onredelijk ontslag?

Grote, complexe reorganisaties. Ze zorgen voor veel stress bij personeel, en ook bij de ondernemingsraad. Want die moet vaak snel advies uitbrengen. Hoe zorg je ervoor dat je toch grip op de zaak houdt?

Sommige kantonrechters maken wel gebruik van deze formule, anderen niet. Reden waarom het Hof Den Haag in negen recente uitspraken van eenzelfde datum heeft besloten een duidelijke lijn in te zetten en de kantonrechtersformule voortaan tot uitgangspunt te nemen bij de beoordeling van de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is. Echter, wel met een correctie.

Het begrip ‘kennelijk onredelijke opzegging’
Aan de introductie van het begrip ‘kennelijk onredelijke opzegging’ lag de gedachte ten grondslag dat opzegging van een arbeidsovereenkomst met inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen onder bepaalde omstandigheden toch als onrechtvaardig kan worden beschouwd. Een opzegging waarvoor toestemming van de CWI is verkregen kan dus kennelijk onredelijk zijn. De rechter oordeelt zelfstandig – los van de bevindingen van de CWI – of een dergelijk ontslag kennelijk onredelijk is. In de wet staan enkele voorbeelden van omstandigheden op grond waarvan de rechter eventueel – wanneer hij dit gerechtvaardigd acht – tot de kennelijke onredelijkheid van een ontslag kan besluiten. Blijkens de rechtspraak is een van de belangrijkste redenen voor de rechter om een opzegging als kennelijk onredelijk aan te merken, de omstandigheid dat de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de financiële nazorg van de werkgever onvoldoende wordt geacht. De werknemer heeft dan recht op een vergoeding als voorziening voor het verlies van zijn dienstbetrekking. Voor het berekenen van de hoogte van deze vergoeding zoeken sommige rechters aansluiting bij de voor de ontbindingsprocedure ontwikkelde kantonrechtersformule.

De leer van het Haagse Gerechtshof
In beide gepubliceerde zaken, gewezen door het Haagse Hof, heeft de werkgever een ontslagvergunning van de CWI verkregen en de arbeidsovereenkomst van de werknemer opgezegd zonder daarbij een vergoeding aan te bieden aan de werknemer. In beide zaken beroept de werknemer zich er op dat de opzegging door de werkgever kennelijk onredelijk is, (onder meer) omdat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Nadat in eerste aanleg de kantonrechter in de ene zaak de vordering heeft afgewezen en in de andere zaak aan de werknemer slechts een klein bedrag heeft toegewezen, gaat de werknemer in beide zaken in beroep. Bij de beoordeling of het gegeven ontslag inderdaad kennelijk onredelijk is, neemt het Hof de kantonrechtersformule als uitgangspunt. Het Hof overweegt daarbij expliciet dat het een einde wil maken aan de huidige onwenselijke situatie, waarin kantonrechters soms wel en soms niet de kantonrechtersformule toepassen bij kennelijk onredelijk ontslag. Daarom kiest het Hof er voor om ook bij kennelijk onredelijk ontslag de kantonrechtersformule tot uitgangspunt te nemen, zij het dat de verschillen tussen deze procedure en de ontbindingsprocedure volgens het Hof rechtvaardigen dat de begroting van de schadevergoeding op 70% van de uitkomst van de kantonrechtersformule wordt gesteld. Hierbij geldt wel dat wanneer deze 30% minder is dan één maandsalaris (bepaald volgens de kantonrechtersformule) de aftrek gelijk is aan één maandsalaris (bepaald volgens de kantonrechtersformule). Het voorgaande betekent volgens het Hof niet dat in alle gevallen waarin het ontslag heeft plaatsgevonden zonder vergoeding, er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag en aanspraak op vergoeding bestaat.

Commentaar
Zal de bovenstaande door het Haagse Hof ingeslagen weg door de andere Hoven en door de lagere rechtspraak gevolgd worden? In een uitspraak gedaan op dezelfde dag als bovenstaande uitspraken overweegt het Hof Leeuwarden dat de kantonrechtersformule juist alleen ontwikkeld is voor ontbindingsprocedures. Of dit Hof na kennis genomen te hebben van de uitspraak van de Haagse collega’s rechtsomkeert zal maken, valt nog te bezien. Tot die tijd is het als werkgever in ieder geval verstandig er rekening mee te houden dat het Hof Den Haag 70% van de kantonrechtersformule kan toekennen bij kennelijk onredelijk ontslag.

Gerechtshof Den Haag 14 oktober 2008, JAR 2009/290 en JAR 2009/291

Eva Knipschild
Meer interessante en relevante jurisprudentie vindt u in Rechtspraak voor Medezeggenschap.

Lees meer over

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.