Vroegtijdig informeren
Grote, complexe reorganisaties. Ze zorgen voor veel stress bij personeel, en ook bij de ondernemingsraad. Want die moet vaak snel advies uitbrengen. Hoe zorg je ervoor dat je toch grip op de zaak houdt?
Ondernemingskamer
De OK deelt de opvatting van de ondernemingsraad niet dat het besluit al eerder is genomen. De OK ziet geen aanleiding om op basis van de aangevoerde documenten ervan uit te gaan dat al in september 2005 was beslist dat het doek voor Weert in 2007 zou vallen. De ondernemingsraad meent dat hij in ieder geval te laat bij de besluitvorming betrokken is. Hij beroept zich op art. 24, lid 1 WOR. De OR vindt dat uit de informatie die is verschaft, kan worden afgeleid dat steeds gemeld is dat werd gekoerst op het Strategisch Plan 2006-2009. Volgens de ondernemer klopt dat in die zin dat het plan ‘leidend’ was en bleef, zolang nog geen ander voorgenomen besluit over de toekomst van Weert was genomen. Dit is pas, nadat het laatste alternatief wegviel, eind maart 2006 gebeurd. De OK vindt dat de inhoud van de informatie van de bestuurder op zijn minst verwarrend te noemen is. Gelet op het feit dat inmiddels nog slechts één alternatief aan de orde was, had een andere informatieverschaffing zonder meer voor de hand gelegen. Overigens vindt de OK dat ook de ondernemingsraad zich actiever had kunnen opstellen. Hij kon immers weten dat Weert zich in een uiterst kritische toestand bevond op basis van de aanwezige informatie en had de bestuurder om nadere uitleg van die documenten kunnen vragen. Er heeft dus het nodige geschort aan de wijze waarop de ondernemer eind 2005, begin 2006 is omgegaan met de mededelingsplicht van art. 24, lid 1 WOR. De door de OR gewenste sanctie, een verbod om het besluit te nemen, kan daaraan echter niet worden verbonden, aldus de OK. Beslissend is of het advies op een zodanig tijdstip is gevraagd dat dit (nog) van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. Dat is gebeurd. Er wordt van uitgegaan dat het voorgenomen besluit eind maart 2006 is genomen, waarna het niet veel eerder dan op 5 april 2006 ter advies aan de OR voorgelegd had kunnen worden. Ook uit het tijdens het adviestraject tussen partijen gevoerde debat kan niet worden opgemaakt dat de OR geen invloed meer kon uitoefenen op het voorgenomen besluit.
Commentaar
Art. 24 WOR schrijft voor dat de ondernemer de OR tijdig moet informeren over de advies- en instemmingaanvragen die in de pijplijn zitten. De bedoeling is dat voorafgaand aan een adviesaanvraag een OR al geïnformeerd wordt over wat er aan zit te komen en eventueel betrokken wordt bij de voorbereiding. Dit heeft voor de OR het voordeel dat hij invloed kan uitoefenen op de besluitvorming in een vroegtijdig stadium. Voor de ondernemer kan dit het voordeel hebben dat de termijn voor advisering korter wordt. In deze zaak kwam de vraag aan de orde wat de sanctie is indien een ondernemer deze voorschriften onvoldoende in acht heeft genomen. Gevolg is niet dat het de ondernemer verboden wordt om het uiteindelijke besluit te nemen. Daarvoor is (alleen) van belang of de ondernemer de uiteindelijke adviesaanvraag tijdig heeft ingediend en of het advies nog van invloed heeft kunnen zijn op het besluit. Een sanctie zou kunnen zijn dat de ondernemer de OR meer tijd voor advisering moet gunnen of dieper zal moeten ingaan op vragen van de OR over de afwegingen die zijn gemaakt bij het opstellen van de adviesaanvraag, zoals eventuele alternatieven die zijn overwogen.
Uitspraak: OK 6 oktober 2006, ARO 2006/168 (OR Philips Lighting Weert)
Auteur: Loe Sprengers












